de inleiding en de aantekeningen zijn voor de historische vereniging Zijpe verzorgd door J. Nederkoorn.
Inleiding
In het Algemeen Rijksarchief berust een manuscript, waarvan op het eerste gezicht auteur, titel en datum van ontstaan onbekend waren. Een titel, "Tractaet van dyckagie" is er bij verzonnen door de 20ste-eeuwse uitgevers [9]. De datum kan ongeveer worden gereconstrueerd als tussen 1576 en 1579. De auteur blijkt geweest te zijn Andries Vierlingh, geboren omstreeks 1507, overleden circa 1579, rentmeester van Steenbergen, dienaar van "verscheyde successive princen van Orangie", dijkgraaf van de Graaf-Hendrikspolder en daarnaast belast met andere waterschapsfuncties, technisch adviseur, grondbezitter en ondernemer.
Als deskundige in waterschapszaken is hij in 1553 te hulp geroepen door het consortium, dat in 1551 vergunning had verkregen de Zijpe in te polderen en dat al gauw zich de moeilijkheden boven het hoofd zag groeien. Zijn houding tegenover de gehele onderneming is sterk negatief. Hij laat zich inhuren maar wil er verder niets mee te maken hebben. De geschiedenis heeft hem gelijk gegeven. De bedijking bleek al gauw een morele, financiele en technische katastrofe. De eerste initiatiefnemer, Jan van Schoorl, trok zich in 1554 terug. De voornaamste geldschieter, Nicolaas Nicolai, probeert er uit te springen in 1557. In 1561 neemt Philips II de zaak over en verklaart over de Consorten: "hebben van onsen voorseyden Ondersaten op gelicht merckelijcke somme van penningen", althans dit wordt namens Philips geschreven in het "Octroye ende Ordonnantie". Maar ook Philips brengt geen bedijking tot stand die de Allerheiligenvloed van 1570 kon weerstaan. Een nieuwe poging van 1572 haalde weinig uit vanwege de oorlogsomstandigheden. Pas in 1597 zou het definitief gelukken.
Vierlingh toont zich in zijn Tractaet, waarvan de Historische Vereniging ''De Zijpe" hier twee fragmenten publiceert, die voor de lokale geschiedenis van belang zijn, een man, die vooral steunt op praktische ervaring. Zijn taalgebruik verraadt de bestuurder, die veel te maken heeft met akten en verbalen. Hij heeft kennelijk de Latijnse school bezocht, maar geen wiskundige of natuurwetenschappelijke opieiding gevolgd.
Zijn verhalen zijn niet zeiden verward, ondanks veelvuldige herhaling. Om een zo groot mogelijk publiek te bereiken, gaat de oude tekst vergezeld van een vrije vertaling in modern Nederlands. Daarbij doen zich eigenaardige moeilijkheden voor. Zo gebruikt Vierlingh vaak het woord "voorvorsch", dat men in woordenboeken niet aantreft. Het betekent zoiets als: eerste afdichting, dijklichaam, scheiding tussen zout en zoet ("versch") water, enz. Zo moest in meer gevallen de betekenis van waterstaatkundige vak-termen uit het verband worden geraden.
Om de betekenis van de genoemde geldbedragen te kunnen aanvoelen, moet men enig idee hebben van dewaarde van het geld in de 16de eeuw. De Carolusgulden deed .zijn naam nog eer aan en was dus een echt goudstuk van bijna 3 gram, waarvan ruim de helft goud. Wel bestond er een zilveren equivalent van 23 gram. Een volwassen ongeschoolde arbeider verdiende ƒ0,75 à ƒI,00 per werkdag. Merkwaardig genoeg bleef dit zo tot in deze eeuw, waarbij de waarde van de gulden voortdurend afnam, Zie [7], biz. 100 en [4], biz. 57.
De dorpsschoolmeester annex koster verdiende ƒ100,-. per jaar, verhoogd met ƒ0,60 per kind per jaar [8]! Door zgn. gedwongen winkelnering kwamen op sommige plaatsen zeer hoge voedselprijzen voor. Een groot roggebrood van elf pond kostte bij de zoetelaars, waar dijkwerkers op aangewezen waren, 9 tot 12 stuivers"Al dat den armen dijcker heeft gewonnen,
Heeft hij terstont met zijn tanden verslonnen."
dicht Valcooch in [7], biz. 76.
voor meer informatie over de geschiedenis van de Zijpe, bekijk 'het verhaal van de Zijpe' (waarin alle personen uit Vierlingh's verhaal aan bod komen en uit een ander perspectief bekeken worden) op de site van de historische vereniging.
Een andere beknopte versie van de geschiedenis van de Zijpe is hier te vinden.
Literatuur
[1] Belonje, Mr. J., De Zijpe en Hazepolder, de ontwikkeling van een waterschap in Holland's Noorderkwartier, diss., Wormerveer 1933.
[2] Jan van Scorel in Utrecht, Centraal Museum Utrecht, catalogus van een tentoonstelling 5/3-1/5/1977.
[3] Octroyen, privilegien ende keuren van de Oude-Zijpe ende Hase-polder, Alkmaar 1717.
[4] Schilstra, J.J., De Hondsbossche, Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier 1981.
[5] Schoorl, H., Ballade van Texel, Den Burg 1976.
[6] Valcooch, Dirck Adriaensz, Die cronijcke van de Zijpe, onuitgegeven manuscript in het Rijksarchief in Hoorn.
[7] Valcooch, Dirck Adriaensz, Chronycke van Leeuwenhorn, voortijden ontrent der Sypen, Amsterdam 1740.
[8] Valcooch, Dirck Adriaensz, Een Regel der Duytsche Schoolmeesters, die proghiekercken bedienen, Alkmaar 1607.
[9] Vierlingh, Andries, Tractaet van Dyckagie, Rijks Geschiedkundige Publicatien, Kleine Serie no. 20, 's-Gravenhage 1920.
[10] Bremer, J.T., De Zijpe, Schoorl 1985.